Een huisje in de hemel



Interpersoonlijk trauma dat op jonge leeftijd wordt toegebracht zet een leven op z’n kop. Bijna letterlijk kan het voelen alsof je soms op je hoofd of handen balanceert en wild spartelend met je benen vaste grond probeert te vinden onder je voeten, in een hemel die zich speels blijft uitstrekken en steeds vroeger donker wordt.


In één klap is er iets in je fundament aangetast. Je basisvertrouwen wordt door een gretige hand, hardnekkige afwezigheid, onverklaarbare agressie of een andere dosis geweld van tafel geveegd. Je raakt iets kwijt: een diepgeworteld gevoel van veiligheid en gegrond zijn, een subtiele rust in je buik, onbevangenheid. Daarvoor in de plaats nestelt zich een vaag gevoel altijd op je hoede te moeten zijn, constant achterom te moeten kijken, klaar om je te verdedigen. Het verhult zich slim, verandert steeds van kleur. Op den duur merk je het misschien niet eens meer als 't het toneel betreden heeft. Het verrast je als je verliefd wordt, als je een nieuwe baan krijgt, als een vriend je iets kwalijk neemt. En soms is het er uit het niets, als je gewoon zit te zijn.


Het is verleidelijk om je, als je je op een dag bewust wordt van de schade, te storten op een Grote Reconstructie. Opnieuw leren vertrouwen, alle sporen uitwissen. Overlevingsmechanismen de prullenbak in. Een nieuw leven. Ik kan dit. Aanvankelijk kijk je hiervoor misschien een geliefde aan, of een familielid. Ben jij de rots waar ik op mag leren leunen? Later begrijp je dat je het alleen in jezelf kunt zoeken. Je neemt je voor de verbinding met je intuïtie te herstellen, je verlangens en emoties te respecteren, de signalen van je lichaam serieus te nemen. Maar ook daar rest er altijd nog wat ruis, kraakt de trap, wijken de wolken niet. En zo is het goed, heb ik uiteindelijk begrepen.


Dat aangetaste basisvertrouwen is namelijk nooit écht te repareren; je kunt immers niet teruggaan in de tijd. Gelukkig is er de hemel om op te leunen. Die spartelende benen die maar geen vaste grond vinden staan dan niet voor leegte maar voor overvloed, voor onbegrensdheid. Binnenin zal er misschien altijd plotseling een deur dichtwaaien, al is het maar voor even. Maar daarboven, daar zijn er geen muren of poorten, breekt niets het zonlicht.


Over zo'n ‘door niets gerechtvaardigd vertrouwen’ schrijft zenboeddhist Ton Lathouwers het volgende: “[D]it bodemloze vallen is dan ineens ook geen vallen meer, maar bewegen, eindeloos stromen in een leven zonder grenzen. … Hier biedt alleen geloof de opening, grenzeloos geloof of oervertrouwen als van een kind. Waar je niet langer vaste grond onder de voet hebt, waar je niet meer kunt lopen, daar moet je wel vliegen.”


Zo’n spiritueel of religieus bewustzijn is een onmisbaar element op de weg naar heling van interpersoonlijk jeugdtrauma, zo wil ik beweren. Dat betekent niet dat je in God of een ander wezen moet geloven om te kunnen herstellen. Het betekent dat je niet zozeer het doel moet hebben om die allerdiepste beschadiging ongedaan te maken, als wel om iets te vinden dat groter is dan de hele materiële wereld bij elkaar, waarop je als een kind kunt vertrouwen. Onbevangen, onvoorwaardelijk, vol overgave, blindelings. Dat kan geen geliefde zijn, en hiervoor kun je zelfs niet altijd op je eigen aardse verschijning rekenen. Al helemaal niet als je ooit volledig verdwaald bent geraakt in het doolhof van menselijke afstemming en wederkerigheid, van veiligheid, geborgenheid en toestemming. Hoezeer je je amygdala ook weet te herprogrammeren, er is iets in je dat nooit helemaal vergeten kan.


Dat is diep triest en maakt woedend. Dat is onrechtvaardig en onjuist, wekt misschien haat en hopeloosheid op. Je tijdelijk onderdompelen in de duisternis die in de eerste instantie uit erkenning vloeit is evengoed een onmisbaar element van het herstelproces. Hetzelfde geldt voor de aardse kracht die zo’n duik in het donker teweegbrengt, schuimende golven van levenslust die met hun geruis alles overstemmen. Hieruit stroomt het verlangen naar heling, naar kwetsbare verbinding, naar groei en genot en teruggekeerde speelsheid, naar licht zijn en licht zien. Deze energie houdt je overeind op het pad naar herstel. Ze moet gekoesterd worden. Gevierd. En vooral ook benut.


Willen helen hoeft echter niet te betekenen dat je hoopt dat die allerdiepste hapering, dat meest verstopte deukje, weer gladgestreken wordt. Die wens blijkt namelijk maar al te vaak onzinnig te zijn. De idealist in mij neemt zo’n stukje (optimistisch) realisme met trillende vingers aan, maar het voelt verbazingwekkend warm. Hoopvol.


Als het je lukt om naar boven te kijken, je ogen te sluiten, heel goed te luisteren naar alles wat onzichtbaar is, en daarin iets te vinden waaraan je je aan kunt overgeven, waar je je onwrikbare vertrouwen in de wereld aan ontleent, dan is dat een Grote Constructie die die Grote Reconstructie plotseling minder cruciaal doet blijken. Het is niet hetzelfde, maar komt wel dichtbij.


Je doet je best vanbinnen alles open te houden, je eigen zonnetje te zijn, de handen van je geliefde niet als wapens te zien. Maar als het even moeilijk blijkt, als alles kraakt en piept, dan weet jij je nog altijd gedragen. Ik wens me nooit meer terug de tijd in, ben op zoek gegaan naar een huisje in de hemel dat voor niets wijkt. Steeds als ik even wegloop, wacht het geduldig. Geloof geboren uit noodzaak is onwrikbaar, voelt als de allergrootste schat die ik bezit.


© Nathalie Meertens, 2021