De man als mens

I.

Een paar jaar geleden liep ik in de zomer naar de tramhalte in de Heemstedestraat. Plotseling stond er een auto stil op de weg en kwamen er vier hoofden tevoorschijn. ‘O mijn god!’ In die tijd wendde ik mijn blik meestal al af voordat de eerste woorden kwamen (nu probeer ik met m'n ogen kort maar krachtig iemands ziel te doorboren en laat ik met m'n hele lichaam zien dat ik niet eens een beetje van plan ben aan de kant te gaan of me kleiner te maken). ‘O mijn god, ik moet met jou trouwen.’ De mensen bij de tramhalte keken me aan met een mix van medelijden en minachting in hun ogen (heb ik dat goed gezien, of heb ik hun blik ingevuld nadat een man dichtbij me zei ‘ja maar, je draagt ook van die mooie strakke kleren’?). ‘IK ZOU JOU HELEMAAL KAPOT BEFFEN.’ Ik keek op, misschien stelde ik me voor hoe het zou zijn om kapot gebeft te worden. Zou ik dan op een gegeven moment ontploffen en confetti achterlaten? Nee, het zou waarschijnlijker zijn dat zijn glibberige tong met elke beweging een stukje van mijn lichaam opslokte, dat hij me letterlijk op zou eten, er moest geen kruimel van mij overblijven, en zou dat dan heel anders voelen dan dit? ‘IK ZOU JOU HE-LE-MAAL AFLIKKEN.’ Het duurde te lang. Mensen werden er ongemakkelijk van. Ik wist niet of ik met mijn gezicht of mijn rug naar ze toe moest gaan staan. Een man naast me wierp een boze blik over zijn schouder. Er kwam een andere auto aan, ze moesten wel doorrijden. Hun gelach en geschreeuw trok een onzichtbaar spoor in de lucht. Het knoopte zich aan me vast. Ik sleepte het de rest van de dag achter me aan.

Ik was op weg naar het FOAM, toen, om naar een expositie van Helmut Newton te kijken. Een van de eerste werken die ik zag was Crocodile Eating Ballerina. Ik heb er enkele minuten naar gestaard, angstig, alsof het beeld in beweging zou komen. Misschien wachtte ik tot de bek zou sluiten en haar benen verdwenen. Misschien wachtte ik tot ikzelf verdween.



Helmut Newton, Crocodile Eating Ballerina (1983)




II.

Ik geloof niet dat (heteroseksuele) mannen moordlustig geboren worden. Ik geloof niet dat ze inherent van seks zonder afstemming houden, dat zich vanzelf fantasieën voordoen over braaf gekromde ruggen en afwezige ogen en zorgvuldig gestemd gepiep en geklik. Begrijp me niet verkeerd: ik heb het hier niet over die zoete machtsspelletjes die, hoe ver we hun grenzen ook opschuiven, altijd omvat worden door een donzig laagje bewondering, respect en liefde. Geveinsde haat gegrond in een gelijkwaardig, gedeeld mens-zijn is eindeloos anders dan de moordlustigheid die ik eerder noemde. Dat weten we allemaal; is het niet rationeel, dan wel intuïtief en fysiek. Hoe dan ook: Ik geloof niet dat mannen geboren worden om blind te domineren, ik geloof zelfs dat ze het liefste het tegenovergestelde zouden doen. Mijn ogen begonnen ooit te tranen toen ik de wanhoop op iemands gezicht zag verschijnen nadat hij plotseling zijn erectie verloor. In een flits zag ik het innerlijke conflict dat zich achter zijn ogen voltrok: nonchalant doen, verontschuldigen, afleiden? Alsof hij zijn been had verloren, hulpeloos leek hij plotseling rond te hinkelen. Dat zag ik, heel even maar, want mannen lijken vroeg te leren hoe ze dit soort innerlijke processen verstoppen. Ze laten alleen de uitkomsten ervan zien, en als deze niet binnen het voorgeschreven kader vallen dan doen ze wel alsof. Verrassende kwetsbaarheid verdwijnt dan snel weer onder daadkracht, onverwoestbare lust, handigheid, leiderschap.

Soms bestudeer ik mannen en hun ruggen, en vraag ik me af hoe zwaar het beeld van mannelijkheid weegt dat hen voorgeschoteld is en dat ze proberen te belichamen. Hoe veel ze moeten onderdrukken om de omlijning ervan niet te verscheuren en wat ze moeten forceren om leegtes op te vullen, leegtes die in hen zijn geplant als virussen, om hun weerstand te testen. Ik heb dan medelijden met die ruggen en op mijn optimistische dagen ben ik ervan overtuigd dat de meeste ervan verlangen naar, zoals de radicale feminist John Stoltenberg zegt in zijn boek Refusing to be a Man, een erotische gelijkheid, in plaats van de erotisering van ongelijkheid. (Opnieuw: naar mijn mening kan erotische gelijkheid gehuld worden in zo veel jasjes als dat er mensen zijn. John Stoltenberg, bij lange na geen seks-positieve feminist, dacht hier anders over. Hij was fervent lid van de antipornobeweging van de jaren '80 en steunde zijn partner Andrea Dworkin aan de frontlinies van de feminist sex wars.) De erotisering van ongelijkheid is waar mannen opgewonden van moeten raken willen ze erbij horen, willen ze écht meetellen. Weinig mannen zullen dat zo bewust ervaren, wellicht vooral als ze de 30 zijn gepasseerd, maar hoe veel van hen hebben bewust de reis naar binnen afgelegd om de indringer bij de kraag te grijpen en ook daadwerkelijk buiten te zetten?

Volgens Stoltenberg, en volgens mij, is de mannelijke seksuele identiteit een sociale en politieke categorie die alleen blijft bestaan zolang mensen, ‘mannen’, keuzes maken die in lijn zijn met het voorschrift dat deze categorie als een haperende printer constant voor ze uitdraait. Het is vanzelfsprekend dat deelname aan deze categorie, althans, de witte variant ervan, allerlei voorrechten oplevert. Sociale, economische en politieke. De deelname staat echter niet voor een leven lang vast na een snelle toelatingstest; ze moet continu hernieuwd worden, ‘in action and sensation – in doing things that make one feel really male … and in not doing things that leave room for doubt. Stoltenberg schrijft zelfs dat de angstvalligheid waarmee mannen proberen dat voorschrift te volgen al vanaf een jonge leeftijd verstrengeld raakt met seksuele opwinding, of liever, dat het ermee wordt verward. Nu ben ik geen man en heb ik geen piemel, maar ik vind het fascinerend hoe Stoltenberg - wel een man, wel een piemel - een link tussen de fysieke effecten van anxiety en seksuele opwinding legt. Het plaatje van de braaf gekromde rug en afwezige ogen is bevredigend omdat mannen ergens leren dat dát het recept is dat hen zou moeten helpen hun angst kwijt te raken rondom het verliezen van hun maatschappelijk gedefinieerde seksuele identiteit en de voorrechten die daarbij horen. Dit is overigens één van de redenen waarom homoseksuele mannen zich al vanaf vroege leeftijd vaak bijna 'defect' voelen: zij herkennen zich niet alleen niet in de eisen van het echte mannen lidmaatschap, het recept waarmee zij zo vaak als ze willen hun deelname kunnen bevestigen heeft niet het gewenste effect.

Hiermee wil ik niet zeggen dat mannen alleen maar opgewonden raken van verbroken verbinding, dat zou absurd zijn; wat ik bedoel is dat er een reeks zorgvuldig ontworpen beelden is (lang niet alleen seksuele) die als een geslepen sleutel feilloos de deur openen naar de mythische illusie van 'echte mannelijkheid' die bij elke man op z'n minst ooit een poging heeft gedaan zich naar binnen te dringen. Meer nog dan - of zelfs in plaats van - de bevrediging van een menselijk erotisch verlangen gaat het hier, zo schrijft ook Stoltenberg, om de verlichting van de menselijke angst verstoten te worden uit de groep. Is dit waarop dat hardnekkige onderscheid rust dat veel mannen maken tussen seks met en zonder 'gevoel'?

Op deze manier zijn lidmaatschap veilig stellen mag voor de man dan wel even als een opluchting voelen, uiteindelijk vervreemdt het.


Men still have everything to say about their sexuality, and everything to write. For what they have said so far, for the most part, stems from the opposition activity/passivity, from the power relation between a fantasized obligatory virility meant to invade, to colonize, and the consequential phantasm of woman as a “dark continent” to penetrate and to “pacify”. … Conquering her, they’ve made haste to depart from her borders, to get out of sight, out of body. The way man has of getting out of himself and into her whom he takes not for the other but for his own, deprives him, he knows, of his own bodily territory.

Hélène Cixous, The Laugh of the Medusa (1975)


Deze woorden van Cixous vind ik belangrijk: ze vestigen mijn aandacht terug op man als mens. Want hoewel de sociale en politieke categorie van mannelijke seksuele identiteit de onderdrukking van het vrouwelijke nodig heeft als brandstof, wordt man als mens in deze dynamiek niet gevoed. Hij verhongert, wordt misvormd. En ik kan hier niet achterwege laten dat het geïnternaliseerde seksisme dat een vrouw ertoe brengt de kwetsbaarheid van een man met een vies gezicht af te wijzen, te verkondigen dat ze een ‘echte man’ wilt, hieraan bijdraagt. Ook zij vergeet dan dat de onwrikbare kracht die de categorie van man-zijn kenmerkt een illusie is, een fantasma. Alleen al omdat het een kracht is die hen wordt opgelegd door een externe bron. Vaak zorgt de vervreemding die dat met zich meebrengt ervoor dat mannen die onwrikbare kracht, of liever hun poging deze te belichamen, transformeren tot wapen. In elk geval is het niet iets om op te bouwen of zelfs maar naar te verlangen, het is tenslotte niet echt. En dat niet alleen: het blijkt maar al te vaak kwaadaardig, hoe subtiel dan ook, voor mensen van elke genderidentiteit. Het verbaast me hoe veel vrouwen dat vergeten, betoverd raken door de illusie van man als standbeeld, als rots, als robotachtig. Wat is er gebeurd met je eigen voorraad kracht als je het gevoel hebt dat je niet overeind blijft tenzij je je over een steen kunt draperen, wat gaat er mis als je zelf inzakt zodra een geliefde zich kwetsbaar toont? Of is het zo dat vrouwen bang zijn zelf dan even krachtiger te zijn, hun geliefde overeind te moeten houden, alsof die subtiele afwisseling tussen leunen en steunen niet de essentie is van menselijke verbinding, zelfs van de relatie met jezelf?

Natuurlijk ga ik niet om me heen slaan als een vrouw me vertelt dat ze op zoek is naar een krachtige partner, dat ze zich wanneer dat nodig is gedragen wilt kunnen voelen. Ik probeer dan eerst te peilen of het hier gaat om een verlangen naar de natuurlijke kracht die elk mens bezit en die we allemaal bewonderen wanneer we ‘m door ogen zien schijnen of in daadkracht vertaald, of toch om een fantasie over die mythische man-kracht die glorieus lijkt maar giftig blijkt. In dat laatste geval laat ze ongetwijfeld vroeg of laat de woorden ‘echte man’ vallen. Wat zou ik die combinatie van woorden graag uit iedereens vocabulaire willen schrobben, op mijn knieën met een tandenborstel als het moet. Hoe dan ook, ik wil haar dan vragen hoe ze zou reageren wanneer een man moeite doet om, in Cixous’ woorden, het territorium van zijn lichaam te blijven bewonen, wat dat voor hem op dat moment ook betekenen mag. We hoeven het niemand te leren, we hoeven geen moeders te zijn (zoals ik onlangs op Twitter las: 'women aren't emotional rehabilitation centers for men'), maar als iemand voor onze ogen een poging doet meer mens te worden, te onderzoeken wat man-zijn voor hem nou eigenlijk in hemelsnaam betekent als het al iets van waarde voor hem heeft, dan moeten vrouwen opletten dat we niet vanuit schrik de rol innemen van die haperende printer, de lidmaatschapspolitie. In zijn stilte en stotteren (al helemaal in zijn snotteren) wil een nieuw script ontstaan; het is nooit aan ons hem terug in zijn rol van rots te duwen. We kunnen toekijken en zien wat voor mens hier tevoorschijn wilt komen, en voelen hoe (en of) het mens in ons ermee in verbinding wilt gaan.


© Nathalie Meertens, 2021